Loonopschorting door de coronacrisis, mag dat?

geplaatst op 12 juli 2020
In economisch lastige tijden zoals nu gedurende de coronacrisis, hebben sommige werkgevers moeite om het hoofd boven water te houden. Dat kan zorgen voor drastische maatregelen, zoals het opschorten van de loonbetalingen aan de werknemers. Maar is een werkgever wel gerechtigd om het loon eenzijdig op te schorten vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de coronacrisis? Deze vraag is recentelijk voorgelegd aan en beantwoord door de rechtbank Amsterdam in een kort geding procedure. In dit artikel wordt besproken hoe de rechtbank hierover in deze specifieke situatie oordeelde.

Feiten
Deze zaak ging om een Turkse broodjeszaak in Amsterdam-Centrum en is gericht op toeristen. Voor deze broodjeszaak zijn januari en februari doorgaans stille maanden met weinig toeristen en weinig omzet. De omzet trekt aan in maart als de toeristenstroom weer op gang komt. Daarop vooruitlopend heeft de broodjeszaak in januari 2020 meerdere nieuwe personeelsleden geworven die per 1 maart 2020 zouden beginnen. Met ingang van 1 maart 2020 zouden er 16 mensen gaan werken. Daarop volgden echter al snel de overheidsmaatregelen in verband met de Corona-crisis, waardoor de broodjeszaak met ingang van half maar 2020 dicht moest, wat zo zou blijven tot eind april 2020. Sindsdien had de broodjeszaak slechts in beperkte mate een takeaway. Hierdoor kwam het bedrijf in acute betalingsproblemen.

De broodjeszaak heeft alle medewerkers verzocht vanaf half maart 2020 vakantiedagen op te nemen. Ook heeft de broodjeszaak in maart 2020 een beroep gedaan op de NOW-regeling waardoor zij uiteindelijk 60% van de loonsom over januari 2020 uitgekeerd heeft gekregen. Bij de toekenning van de NOW-regeling was er geen rekening gehouden met de stijging van het personeelsbestand en dus meer lasten per 1 maart 2020. De broodjeszaak heeft daarom alle personeelsleden slechts 50% loon uitgekeerd, waaronder de werknemers die per 1 maart 2020 in dienst zijn gekomen.

Een werknemer was het hier niet mee eens en heeft uitbetaling van het restant salaris, uitbetaling van gemaakte overuren en uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen geëist tegelijkertijd met de eindafrekening. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van deze werknemer liep namelijk per 1 mei 2020 af. Deze werknemer heeft geweigerd om in te gaan op de oproep van de broodjeszaak om vakantiedagen op te nemen. De broodjeszaak weigerde om op deze vordering van de werknemer in te gaan. Dit zou namelijk betekenen dat andere werknemers helemaal niets zou kunnen worden betaald. De werknemer stapte daarom naar de rechter.



Beoordeling door de rechter in kort geding

De rechter erkent de lastige situatie waarin de broodjeszaak zich bevindt. Het is volgens de rechter voldoende aannemelijk dat de broodjeszaak door deze buitengewone omstandigheden te maken heeft met een onvoorziene bedrijfseconomische noodsituatie.

In principe heeft de broodjeszaak daardoor volgens de voorzieningenrechter het zwaarwichtig belang dat met zich meebrengt dat er van werknemers van de broodjeszaak gevraagd kan worden om – in overleg - bepaalde arbeidsrechtelijke aanspraken op te schorten of zelfs helemaal prijs te geven.

Echter, eenzijdig en zonder overleg genomen besluiten om meerdere maanden slechts 50% van het salaris te betalen brengt voor de eisende werknemer een te grote inkomensachteruitgang met zich mee waardoor deze werknemer in de financiële problemen komt. De werknemer is immers voor zijn levensonderhoud van dit inkomen afhankelijk. In alle redelijkheid vindt de rechter daarom niet dat de werknemer hieraan mee hoeft te werken. Zeker niet omdat het überhaupt niet vaststaat wanneer de broodjeszaak wel over voldoende middelen zou beschikken om de achterstanden in te lopen. Om die reden wordt de loonvordering van de werknemer toegewezen. De werkgever wordt door zijn slechte financiële positie niet bestraft voor de te late uitbetaling van het loon (wettelijke verhoging). De vordering tot uitbetaling van vakantiedagen van de werknemer is afgewezen omdat vast staat dat de werknemer niet gewerkt heeft. Uitdrukkelijk heeft de werknemer tijdens de zitting bij de rechtbank aangegeven een oproep van de broodjeszaak om te komen werken, geweigerd te hebben. Tegen deze achtergrond acht de voorzieningenrechter het onvoldoende duidelijk of de vordering ten aanzien van de vakantiedagen en overuren toegewezen wordt in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter geeft in eerste aanleg namelijk slechts een voorlopig oordeel c.q. voorziening vanwege de spoedeisendheid, waarbij meegenomen moet worden hoe er waarschijnlijk in een normale bodemprocedure besloten zal worden.

Wijze les
Opgemerkt moet worden dat uitspraken in eerste aanleg per dossier kunnen verschillen aangezien dit casuïstisch is. Vooral bij voorzieningenrechters in een kort geding procedure, aangezien de beslissing slechts bedoeld is als voorlopige voorziening.
Wel laat deze uitspraak zien dat voorzichtigheid geboden is met het opschorten van loonbetalingen, zelfs al zijn er genoeg goede (lees: zwaarwichtige) redenen voor. Corona en financiële problemen bij de werkgever als gevolg daarvan geeft geen vrijbrief om eenzijdig de loonbetaling te stoppen of op te schorten. Zelfs al hebben werknemers door een vanuit de overheid verplichte sluiting niet kunnen werken.

Dit betekent echter niet dat er voor werkgevers helemaal niets mogelijk is. Werkgevers doen er daarentegen verstandig aan eerst alle andere maatregelen te nemen die eventueel mogelijk zijn om het hoofd boven water te houden om daarna ook in gesprek te gaan met werknemers.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel, neemt u dan contact op met een van onze arbeidsrecht advocaten van ons kantoor.

Angelique Verweij en Wesley Sallé
tel. 0341-760510
a.verweij@vbvadvocaten.nl of w.salle@vbvadvocaten.nl

Bron: Rechtbank Amsterdam 28 mei 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2734

Hoewel de uiterste zorg is besteed aan de inhoud van dit nieuwsbericht, aanvaardt VBV Advocaten geen aansprakelijkheid voor onvolledigheid of onjuistheid.

VBV Advocaten

Angelique Verweij