Kindgebonden budget en partneralimentatie

geplaatst op 1 aug 2017
Op 7 juli 2017 heeft de Hoge Raad opnieuw duidelijkheid verschaft over het kindgebonden budget en de alimentatie. Dit naar aanleiding van een prejudiciële vraag die door het Gerechtshof Den Haag aan de Hoge Raad is gesteld. Een prejudiciële vraag is een vraag die door een lagere rechter aan de Hoge Raad wordt gesteld om meer duidelijkheid te krijgen over een bepaalde rechtsregel. De vraag die door het hof werd gesteld is of het kindgebonden budget moet worden beschouwd als inkomen aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, zodat hiermee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie. In 2015 heeft de Hoge Raad reeds beslist dat het kindgebonden budget niet meegenomen dient te worden bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar dat het kindgebonden budget wel als inkomen meegenomen dient te worden aan de zijde van de ontvangende ouder (zie artikel van 13 oktober 2015: http://wqd.nl/bQlh). Na veel onzekerheid heeft de Hoge Raad nu dus een beslissing genomen ten aanzien van de partneralimentatie en het kindgebonden budget.

De Hoge Raad heeft beslist dat het kindgebonden budget niet als inkomen van de alimentatiegerechtigde moet worden aangemerkt bij de partneralimentatie. De reden daarvoor is dat het kindgebonden budget een bijdrage is in de kosten van de minderjarige kinderen en moet worden gezien als ‘inkomensafhankelijke overheidssteun van aanvullende aard’. Indien het kindgebonden budget meegenomen wordt bij het inkomen aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, dan neemt de behoefte aan partneralimentatie af. Dat is volgens de Hoge Raad in strijd met de gedachte van ‘inkomensafhankelijke overheidssteun van aanvullende aard’. Bovendien heeft volgens de Hoge Raad te gelden dat, zoals zojuist al aangegeven, het kindgebonden budget een bijdrage in de kosten van de minderjarige kinderen betreft. Het is dan ook niet de bedoeling dat het kindgebonden budget wordt aangewend om in de kosten van de (partner)alimentatiegerechtigde te voorzien.

Het gevolg van deze beslissing voor de praktijk is dat het kindgebonden budget dus niet in mindering wordt gebracht op de behoefte van de alimentatiegerechtigde. Hierdoor zal de alimentatieplichtige uiteindelijk meer alimentatie moeten betalen.

Kortom, ten aanzien van de partneralimentatie dient het kindgebonden budget niet te worden meegenomen in het inkomen aan de zijde van de alimentatiegerechtigde. Bij kinderalimentatie dient het kindgebonden budget wél meegenomen te worden met het inkomen van de ontvangende ouder. De prejudiciële beslissing kunt u hier vinden: ECLI:NL:HR:2017:1273.

Mocht u hierover nadere vragen hebben of willen weten welke gevolgen deze uitspraak heeft voor uw situatie dan kunt u altijd contact op nemen met Daniëlle van Bloemendaal, partner bij VBV Advocaten op nummer 0341-760 510.

VBV Advocaten

Angelique Verweij